Veertien jaar geleden werd ik ziek. Zo ziek dat ik een uitlaatklep nodig had — iets om gedachten op neer te leggen, recepten vast te houden die ik anders zou vergeten. Zo begon deze website.
In diezelfde periode hoorde ik dat mijn moeder nog maar een half jaar te leven had.
Twee grote dingen tegelijk. En toch ging het verlies van mijn moeder op een vreemde manier aan me voorbij — mijn eigen ziekte nam alle ruimte in. Ik kon er niet goed bij. Totdat het er alsnog hard inkwam. Harder dan ik verwacht had.
Er zijn dingen uit die periode die ik nog steeds niet begrijp. Ik heb er met een maatschappelijk werker over gepraat, maar die gesprekken hielpen niet. Ze dachten dat ik met schuldgevoel zat. Dat was het niet, of niet alleen. Het was ingewikkelder dan dat.
Aanstaande maandag zou mijn moeder 84 jaar zijn geworden, er gaat nog steeds geen dag voorbij dat ik niet even aan haar denk.
Sneeuw
Het wit.
Onhoorbaar is het wit.
Slechts wat getrippel van vogelpoten,
heel omzichtig in de bange stilte van het wit.
Onhoorbaar ligt het wit in de opgeblazen ochtend.
Ik schrijf er geen voetstappen in.
Ik merk dat ik er nu over kan praten zonder meteen vol te schieten. Dat voelt als iets. Dit gedicht, dit stukje pagina — ik wil het laten staan. Voor mezelf. En misschien ook voor iemand anders die herkent hoe raar verdriet soms loopt. Hoe verdriet soms wacht tot je er klaar voor bent. Of totdat je er niet meer omheen kunt.
Gedicht van Roland Jooris (1936-2020)