Elke week maak ik toch zeker wel drie keer Indiaas eten. En elke keer als ik de naan of roti uit de pan haal, vindt manlief dat het feest is. En eigenlijk is het dat ook wel, want het is zó lekker. En ook al is het een klusje van niets, je oogst er zeker bewondering mee.
Maar goed, die platte broden horen natuurlijk wel echt bij een Indiaas diner. Er zijn veel mensen die niet precies weten wat bij wat hoort. Wanneer maak je roti, wanneer naan, en wat serveer je erbij? Dat snap ik wel, want zelf heb ik ook lang gedacht dat het allemaal niets uitmaakte. En nee, natuurlijk komt er geen platbroden-inspectie, als jij roti wil bij iets waar naan beter bij past moet je dat gewoon vooral doen natuurlijk.
Toch ga ik het even uitleggen, want het maakt wel verschil. Niet alleen qua smaak, maar ook qua hoe het op tafel komt en hoe je het eet.
Roti is het dagelijkse brood
Roti is dun en simpel, en dat bedoel ik positief. Het is het brood voor doordeweekse dagen, voor als je gewoon snel iets warms wilt. Perfect om je curry mee op te scheppen of om groenten in te rollen. Ik maak het vaak bij dahl of een kikkererwten curry – gewoon comfortfood.
Als lunch gebruik ik roti ook weleens als wrap. Geroosterde groenten erin, een lepel yoghurt erover en klaar. En wat ik altijd doe na het bakken: een beetje boter of olie eroverheen smeren. Dat maakt het net wat zachter en lekkerder.

Naan is voor als je iets speciaals wilt
Naan is dikker, luchtiger, en eerlijk gezegd ook een beetje meer werk. Maar het is het waard. Die krokante buitenkant met die zachte binnenkant – daar word je vrolijk van. Ik maak naan meestal als ik iets rijkers op tafel zet zoals butter tofu of tikka masala.
Wat ik ook graag doe: naan als pizzabodem gebruiken. Restjes curry erop, een beetje extra groenten, de oven in. We vinden het allebei geweldig, en ik hoef niet opnieuw te koken. Win-win.
En als snack is naan ook te gek. Beetje knoflookolie, wat chutney erbij, klaar. Soms maak ik er een avondje van met verschillende dips, chutneys en warme naan. Meer heb je niet nodig.
Chapati is de snelle klassieker
Chapati lijkt op roti, maar is vaak net iets zachter. Ik gebruik het vooral bij droge gerechten, zoals aardappeltjes met komijn of lichte groentecurry’s. Het is ook super om te vullen en op te rollen – ideaal voor ontbijt of lunch.
Als ik chapati iets dikker maak, vul ik het wel eens met gekruide aardappels. Dan heb je meteen een stevig ontbijt of een makkelijke lunch. Heet het dan aloo paratha? Ja. Maakt het uit? Niet echt, het is gewoon lekker.

Pulao en biryani verdienen een feestje
Rijstgerechten zoals pulao en biryani zijn eigenlijk al compleet. Maar ik serveer er altijd wat bij, anders voelt het niet af. Bij biryani doe ik vaak chapati erbij om de saus mee op te vegen, en een frisse raita om het wat lichter te maken.
Pulao is wat subtieler van smaak, dus daar past juist iets fris en knapperigs bij. Ik doe er vaak papadum naast en een eenvoudige komkommersalade. Soms maak ik er mango chutney bij als ik tijd heb, maar eerlijk gezegd doe ik vaak gewoon een potje open uit de winkel.
Biryani is veel intenser, dus daar mag best wat bij wat pit heeft. Een pittige tomatenchutney of een muntdip bijvoorbeeld. En een simpele kachumber – gewoon fijngehakte komkommer, tomaat en ui met citroensap – maakt het helemaal af.
Wat ik verder graag erbij serveer
Naast curry’s en rijstgerechten zijn er nog wat dingen die ik bijna altijd op tafel zet:
Het gaat allemaal om balans. Roti en chapati verzachten pittige gerechten een beetje, terwijl naan dat luxe tintje geeft. En vergeet vooral niet alles lekker in de chutney te dopen – daar zit vaak de echte magie.
